11 december 2017 • Anton Maes • 4 minuten • 969x gelezen 0 reactie(s)

Huisartsenzorg heeft forse financiële injectie nodig

Analyse, Discussiebijdrage, Opinie Over een aantal aspecten van de financiële staat van de huisartsenzorg is op dit moment aanvullende informatie te geven. Het gaat in deze blog over het dalende inkomen van de huisarts bij geleverd meerwerk, over reeds bekende budgetonderschrijdingen en over de beperkte gemiddelde kosten van huisartsenzorg voor de patiënt.

Deel dit artikel via          

Daling inkomen zet op basis van voorlopige cijfers van CBS ook in 2015 door

Naast de NZa met praktijkkostenonderzoeken verzamelt ook het CBS gegevens over het inkomen van de huisarts. Het CBS krijgt de cijfers van de Belastingdienst. Het zijn alleen cijfers van huisartsen met een eigen bedrijf (praktijkhouders, waarnemers/ZZP-ers). De huisartsen in loondienst (HIDHA) zitten hier niet bij. De CBS-cijfers laten de volgende resultaten voor de belasting zien, voor 2015 zijn het voorlopige cijfers:

  • 2011: 1111 mln/8070 praktijkhouders/ZZP-er: resultaat voor de belasting: € 137.670,-
  • 2012: 1046 mln/8015 praktijkhouders/ZZP-er: resultaat voor de belasting: € 130.505,-
  • 2013: 1018 mln/8080 praktijkhouders/ZZP-er: resultaat voor de belasting: € 125.990,-
  • 2014: 1073 mln/8560 praktijkhouders/ZZP-er: resultaat voor de belasting: € 125.350,-
  • 2015: 1040 mln/8800 praktijkhouders/ZZP-er: resultaat voor de belasting: € 118.182,-

Bedenk dat de huisarts de kosten voor pensioen en verzekeringen voor ziekte en arbeidsongeschiktheid nog uit dit resultaat voor de belasting moet betalen.  Ook de reserveringen voor innovatie, investeringen en risico’s moeten nog worden meegeteld en worden afgetrokken van dit bedrag. Grosso modo is dit bij elkaar 25% van het resultaat voor de belasting. Het recente praktijkkostenonderzoek heeft ertoe geleid dat het consulttarief is verhoogd met 0,95% en het inschrijftarief met 0,64%. De financiële toekomst van de huisarts is afhankelijk van economiefactoren en huisartsfactoren. Met objectief en transparant toezicht.  Jaar 2014 was het eerste jaar de herijking arbeidskosten en 2015 het eerste jaar van de nieuwe bekostiging met drie segmenten. Tevens was 2015 het onderzochte jaar van het laatste praktijkkostenonderzoek (publicatie 5.7.2017).

Wordt 2017 het derde achtereenvolgende jaar met onderbesteding van budget huisartsenzorg?

Na twee kwartalen in 2017 meldt de databank van het Zorginstituut de volgende kostencijfers, te vergelijken met het budget zoals in de Miljoenennota

2017                                                                                                 1 = 1 miljoen euro

A. Verwachte kosten huisartsenzorg (HA) 2017 na 2Q                2.697,9
B. Verwachte kosten multidisciplinaire zorg (MDZ) 2017 na 2Q                   553,9
C. Totaal verwachte kosten HA + MDZ in 2017 na 2Q (A+B)                3.251,8
D. Budget 2017 HA: met Rijksbegroting 2017                2.857,8
E. Budget 2017 HA: met Rijksbegroting 2018                2.924,2
F. Budget 2017 MDZ: met Rijksbegroting 2017                   471,6
G. Budget 2017 MDZ: met Rijksbegroting 2018                   482,5
H. Totaalbudget 2017 HA+MDZ met Rijksbegroting 2017 (D+F)                3.329,4
I.  Totaalbudget 2017 HA+MDZ met Rijksbegroting 2018 (E+G)                3.406,7
J.  Verwachte onderbesteding o.b.v. Rijksbegroting 2017 (H-C)                  –  77,6
K. Verwachte onderbesteding o.b.v. Rijksbegroting 2018 (E-C)                  -154,9

De conclusie is wederom een verwachte onderschrijding van het huisartsenkader, waarbij de kosten van MDZ (wel) het eigen kader overschrijdt. Maar waarbij de kosten van huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg bij elkaar opgeteld ruim onder het kader blijven. Een toelichting over de actualiteit en hoe dit mogelijk is, beschreef ik eerder (blog/blog/blog/blog/blog/blog/blog).

Huisartsenzorg geeft in de eerste lijn in de Zvw de laagste uitgaven per patiënt

Bron: NZa Marktscan Eerstelijnszorg 2016, pg.17

Gemiddelde uitgaven per patiënt (Zorgverzekeringswet) 2014 (1 = 1 euro)

Huisartsenzorg                       151
Farmaceutische zorg                       380
Mondzorg                       238
Paramedische zorg                       521
Kraamzorg                     1261
Verloskundige zorg                       811
Generalistische basis GGZ                       742

De verklaring voor deze laagste uitgaven is gelegen in het feit dat juist een huisarts veel patiënten per jaar ziet. Wordt er gekeken naar uitgaven per verzekerde, dan ontstaat er een heel ander beeld.

Conclusie

Er zijn voldoende redenen om de goedkope huisartsenzorg te voorzien van een forse financiële injectie, met name in de basiszorg.  Dat begint met het volledig benutten van het huisartsenkader, waarbij niet de basiszorg de financier kan/mag worden van de multidisciplinaire zorg. De herhaalde oproep van de beroepsorganisaties om de praktijken te verkleinen, nu ondersteund met een hooglerarenbrief aan de vaste Kamercommissie, wordt gegeven om te voorkomen dat huisartsen bezwijken onder de werkbelasting. Daarvoor is (ook) geld nodig: de rekensom hoeft niet moeilijk te zijn, als de gewenste praktijkgrootte 1700 tot 1800 patiënten moet worden en het huidige kader bekend is.

 

Anton Maes
www.zorgenstelsel.nl

 

 

 

 

Het is niet mogelijk op dit artikel te reageren.