29 juni 2018 • Redactie • 3 minuten • 1.026x gelezen 3 reactie(s)

Herijking kernwaarden en kerntaken huisartsenzorg

Deel dit artikel via          

De kernwaarden ‘persoonsgerichte zorg’, ‘generalistische zorg’ en ‘continue zorg’ zitten in de genen van de huisarts. Zo liggen deze kernwaarden ook aan de basis van de Toekomstvisie Huisartsenzorg 2022 . In een snel veranderende wereld (zowel binnen de huisartsenzorg als daarbuiten) is het de vraag hoe we invulling kunnen blijven geven aan deze kernwaarden. Hoe wordt er binnen de beroepsgroep over gedacht? Waar vinden we elkaar in gedeelde waarden en taakopvattingen?

 

Daarom zijn we in 2018 en begin 2019 bezig met een herijking van de kernwaarden en kerntaken van de huisartsenzorg. Hierbij willen we álle huisartsen betrekken, omdat de toekomstbestendigheid van ons vak ons allemaal aangaat.  Om zoveel mogelijk verschillende gezichtspunten en geluiden te borgen, wordt dit project aangestuurd door een brede coalitie van organisaties: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Landelijke Huisartsen Vereniging LHV (inclusief LHV-Wadi voor de specifieke aandachtspunten vanuit niet-gevestigde huisartsen), InEen (vereniging van de georganiseerde eerste lijn), IOH (Interfacultair Overleg Huisartsgeneeskunde), actiecomité Het Roer Moet Om, Landelijke Huisartsen Opleiders Vereniging LHOV, Landelijke Organisatie van Aspirant Huisartsen LOVAH en wij zelf natuurlijk, de Vereniging Praktijkhoudende Huisartsen.

 

Doel is om op 21 januari 2019 de herijking van de kernwaarden en kerntaken vast te stellen in Woudschoten, waar dan precies 60 jaar geleden een stevige basis voor de huidige huisartsenzorg werd gelegd.

 

Hoe pakken we de herijking aan?

De hierboven genoemde partijen vormen gezamenlijk de stuurgroep van het traject. Zij formuleren het doel en de opzet van het traject. Een inhoudelijke commissie brengt de belangrijkste vraagstukken in kaart. Die vraagstukken gaan we binnen de beroepsgroep bespreken en toetsen, door middel van denksessies in het land en een enquête. Daarnaast worden stakeholders bevraagd om draagvlak te toetsen.

 

Hieronder meer informatie over de stappen in dit proces:

Inventarisatie

Een inhoudelijke commissie bestaande uit een tiental huisartsen uit verschillende delen van het land met verschillende achtergronden inventariseert de vraagstukken. Deze commissie staat onder leiding van Prof. Dr. Henriëtte van de Horst en wordt begeleid door het bureau De Argumentenfabriek. De inhoudelijk commissie rondt deze inventarisatie in juli 2018 af.

 

Denksessies

In september 2018 vinden er denksessies in het land plaats. Hieraan kunnen alle (aankomende) huisartsen deelnemen. U kunt zich aanmelden voor sessies die vanuit de projectorganisatie worden georganiseerd of u kunt uzelf melden met een groepje huisartsen waarmee u zo’n sessie wilt doen (denk bijvoorbeeld aan uw Hagro, uw Wagrobestuur, uw intervisieclub of een andere samenstelling). Voor ons is het van groot belang dat er onder de deelnemers aan deze sessies een goede afspiegeling is van de diversiteit aan huisartsen en aan huisartsen-in-opleiding.  

 

Wilt u als groep deelnemen, meldt u dan aan via a.klabbers@nhg.org. De ideale groepsgrootte is 15 personen.  

Wilt u als (aankomend) huisarts deelnemen aan een van de bijeenkomst die wij organiseren, houdt u dan de berichtgeving hierover in de gaten.  

 

Deze denksessies staan onder leiding van een getrainde gespreksleider en de uitkomsten van elke denksessie worden zo eenduidig mogelijk verzameld. De Argumentenfabriek maakt hiervoor een toolkit en organiseert trainingen voor gespreksleiders. Alle denksessies zijn geaccrediteerd.

 

Enquête

De denksessies hebben vooral een kwalitatief karakter. Met een online enquête onder huisartsen in het najaar toetsen en kwantificeren we de uitkomsten van die sessies.   

 

Meer weten?

Neemt u contact op met de projectleider, verbonden aan het NHG :

Annemarie Klabbers (a.klabbers@nhg.org)
030 – 2823508

Er zijn 3 reacties op dit artikel

  1. Nico Terpstra schreef:

    Ik maak me zorgen over de voorzitter: mw van der Horst was in het verleden een pleitbezorgster voor integrale geneeskunde, een rare niet-reguliere vorm van geneeskunde met homeopathie en ander niet-regulier gedoe (zij zat in het comite van aanbeveling voor het congres ‘Heel de Mens’ in 2012 waarin niet-reguliere onzin kritiekloos gedebiteerd mocht worden). Verder zijn er antroposofische huisartsen verbonden aan de huisartsenopleiding van de VU. En die doen soms rare dingen.

  2. Hans van der Schaaf schreef:

    De hier onderstaande actie-matrix komt niet goed uit de verf:

    Horizontaal heb je ‘sterkten’ en ‘zwakten’.

    Verticaal ‘kansen’ en ‘bedreigingen’.

    Dan heb je vier cellen. 1/1 is uitbuiten ! 2/1 is ombuigen, 1/2 is alertheid. En 2/2 is confrontatie / crisis.

  3. Hans van der Schaaf schreef:

    Beste huisartsen, in een tijd dat veel verandert is het juist noodzakelijk om aan de kernwaarden van jullie professie vast te houden. Doe dat dus alsjeblieft.
    Met die kernwaarden is niets mis.
    Integendeel !

    Dat dit vasthouden in deze tijd niet eenvoudig is, is duidelijk.
    Het is daarom noodzakelijk de kansen en bedreigingen, en sterkten en zwakten van de huidige beroepspraktijk goed in beeld te krijgen.
    In de cursus ‘Praktijkplan’ voor 350 van jullie gebruikte ik ruim 10 jaar geleden onderstaand schema om de mogelijk noodzakelijke beleidsrichtingen in de praktijk in kaart te krijgen.
    Gebruik ze alsjeblieft !

    Sterkten. Zwakten.

    Kansen. Uitbuiten ! Ombuigen.

    Bedreigingen. Alertheid ! Crisis /
    Confrontatie.

    *

    Verder zijn veel problemen anno nu weinig anders dan in 2000.
    Dat geeft precies aan waar het probleem zit de kernwaarden van ook toen nu opnieuw in de praktijk te houden c.q. te kunnen blijven toepassen.
    Gebruik deze resultaten opnieuw.
    Want ze zijn niet nieuw.
    Maar gebruik ze nu in de context van 2020.
    Succes !

    Conclusies uit het DHV-13 rapport ‘De praktijk blijft anders’ uit 2001.

    5.1 Algemene conclusies.

    1) De huidige wijze van bekostiging van de huisartsenzorg heeft (te) weinig relatie met de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van deze zorg in de praktijk.

    2) In bijna 70% weet de huisarts naar zijn mening te weinig van die zorgepisodes waarin de praktijk (spil)‘schakel’ is in de totale zorgketting. De vraag is wie dat eigenlijk wel weet.

    3) Er zal in de praktijk een relatie gelegd moeten kunnen worden tussen het type zorgepisode en de objectieve en subjectieve werklast die deze in de praktijk met zich meebrengt.

    4) Zolang het nog nut heeft te spreken van een ‘normpraktijk’ zal het percentage ziekenfondsverzekerden daarin nadrukkelijk als werklast-, en daarmee kostenparameter moeten zijn verdisconteerd.

    5) Het bellen etc. om er voor te zorgen dat de patiënt die zorg krijgt die nodig is kost het totaal aan huisartsen in DHV-district 13 per dag minstens 4,1 werkweek (van 38 uur) aan tijd.
    Omgerekend voor alle Nederlandse huisartsen komt dit overeen met een 1,5 jaar per werkdag !

    Los van het feit dat dit goed aangeeft hoe ‘verstopt’ de zorg in ons land blijkbaar is, mag dit gegeven net zo goed indicator van de mate verspilde huisartsenzorg in Nederland worden genoemd.
    Nu iedere dag en op de langere termijn.
    Zorgcentrale’s c.q. ‘callcenters’ zouden deze activiteit over moeten nemen.
    Dat zal niet alleen minder werkdruk voor de huisarts en efficiencywinst voor het geheel geven; het zal tevens een (regionaal) totaaloverzicht opleveren waar de ‘verstopping’ zich het ernstigst manifesteert.

    6) De combinatie van het huidige financieringsstelsel van huisartsenzorg, de beleidsmatige verwaarlozing van het kwalitatieve aspect van de huisartsenpraktijk en schaarste in de zorg is waarschijnlijk een belangrijke factor voor het ontstaan van de crisis in huisartsenland en de gestegen incidentie van burn-out bij de individuele huisarts.

    7) Met het invoeren van het nieuwe zorgstelsel vervalt het onderscheid in verzekeringsvorm. Daar zal in de praktijk weinig van te merken zijn: Het verschil in de gevraagde zorg als gevolg van sociaal-economische gezondheidsverschillen blijft gewoon bestaan, zij het nu verhuld.

    Om dit te ondervangen zal de bekostiging van de huisartsenzorg moeten worden gekoppeld aan de geleverde zorg. Kwantitatief en kwalitatief. En volgens het ‘loon en kosten naar werken’-principe.

    5.2. T.a.v. de regionale zorgverzekeraar.

    8) De nieuwe de zorgverzekeraar(s) toebedeelde rol van ‘regisseur van zorg ’ is voor de meeste huisartsen praktisch gezien (nog) een onbekende.

    9) Ziekenfondsverzekerden geven de huisarts niet alleen meer klachten, het zijn tevens klachten die de huisarts meer werk geven.

    10) De druk om met ziekenfondsverzekerden ‘zuiniger’ te gaan werken neemt toe. (spiegelinformatie, plannen voor budgettering van de huisarts, etc.).
    Dit terwijl juist deze groep verzekerden bepalende factor is voor de (ervaren) werkdruk in de praktijk. Als daar niet op wordt gecorrigeerd zou het resultaat van dit beleid wel eens in z’n tegendeel kunnen omslaan: Genoeg verzekerden, maar geen behandelende huisartsen meer.

    11) Wat betreft de huisarts zou bij het vormgeven van zorgsturing door de verzekeraar het ‘Er voor zorgen dat zorg die op enig moment nodig is ook daadwerkelijk voorhanden is’ en het ‘Zorgen voor een organisatie die het soms vele bel- en regelwerk door de huisarts en/of anderen i.v.m. het aansturen van de zorgketen, overneemt’ prioriteit mogen krijgen.

    Verder verdient het verlenen van (financiële) hulp bij huisvesting van nieuwe huisartsen hoge aandacht.

    5.3. T.a.v. de huisartsenzorg.

    12) Huisartsen anno 2000 vinden het afstaan van patiënten minder problematisch dan het overnemen daarvan.

    13) Ongeveer twintig procent van de huisartsen ervaart een hogere draaglast dan hun draagkracht. Met name het bellen etc. om er voor te zorgen dat de patiënt de zorg krijgt die nodig is wordt als belastend ervaren.

    14) Het ‘basaal managementmodel huisartsenzorg’ (zie het rapport) laat zien dat het werk in de praktijk een kwantitatief- en een kwalitatief aspect kent; te weten ‘het aantal patiënten in de praktijk’ en ‘het aantal patiënten op het spreekuur’, respectievelijk ‘het percentage ziekenfondsverzekerden in de praktijk’ en ‘de secundaire werkzaamheden’.

    Het kwantitatieve aspect beïnvloedt met name de ‘tevredenheid over het inkomen’.
    Het kwalitatieve aspect met name‘de ‘tevredenheid over het werk’.
    ‘Tevredenheid over het werk’ leidt tot ‘tevredenheid over het inkomen’.

    15) Het percentage ziekenfondsverzekerden bepaalt minstens voor eenderde de objectieve en subjectieve werklast in de praktijk.

    16) Kleine praktijken met veel ziekenfondsverzekerden hebben een grotere kans om in de gevarenzone te zitten wat betreft het vinden van een goede verhouding tussen werklast en het bekostigen van mensen en middelen om deze in positieve zin bij te stellen.

    17) Anno 2000 lijkt het fenomeen ‘praktijkondersteuning’ redelijk in beeld bij de huisarts.
    Twintig procent van de huisartsen zegt echter geen praktijkondersteuner te willen. En wat betreft de praktische invulling van veel zaken bestaan (nog) wisselende voorkeuren.
    ‘Flexibiliteit’ en ‘Op maat van de praktijk’ lijken hier noodzakelijke uitgangspunten te zijn.

    18) Wat betreft het laten dalen van de werklast van de huisarts dienen zich een aantal mogelijkheden aan:

    + Praktisch-profesionele: Met name het laten doen van cervix uitstrijkjes, enkels tapen, verbinden ulcus criris, geven van dieetadviezen en de geprotocolleerde controle van hypertensie, COPD en DM.

    + Ondersteunende: ‘Het bellen etc. dat een patiënt de zorg krijgt die deze nodig heeft’ en ‘de administratie’ door externen laten doen; ‘ondersteunende’ en ‘geen gezeur’- ICT; ‘snelle’ en ‘verhoogde toegankelijkheid tot de tweede lijn’ en ‘het hebben van een dienstenstruktuur’.

    5.4. T.a.v. de ICT in de praktijk.

    Is niet relevant meer.

    5.5 T.a.v. het dreigend huisartsentekort.

    19) Ongeveer een derde van de huisartsen in DHV-district 13 stopt binnen tien jaar met de praktijk.

    20) Belangrijke factoren die volgens huisartsen een praktijk aantrekkelijk maken voor een opvolger liggen anno 2000 buiten de invloedssfeer van deze huisarts. Overheid, ‘markt’ en zorgverzekeraar zijn hier de spelbepalers.

    21) Als huisartsen meer patiënten een plaats in de praktijk moeten gaan geven zijn vooral het vergroten van ‘de praktische ondersteuning in de praktijk’ en het vormgeven van ‘ondersteuning door andere professionals’(praktijkondersteuner, paramedici en de tweede lijn) mogelijkheden om dit te realiseren.

    22) De helft (!) van de (ondervraagde) huisartsen die voor 2006 met hun praktijk stoppen wil onder voorwaarden langer doorwerken. De voorwaarden zijn: ‘minder uren’, ‘minder werkdruk’ en ‘alleen directe patiëntenzorg’.

    23) De bovengenoemde twee punten geven het twee sporenbeleid aan dat tot reductie van de gevolgen van het huisartsentekort kan leiden.