11 april 2016 • Hans Nobel & Herman Suichies • 5 minuten • 1.055x gelezen 1 reactie(s)

De huisarts(en) en de macht van de zorgverzekeraar

Analyse Onlangs verschenen de resultaten van een onderzoek van het Instituut Beleid en Management Gezondheidszorg (iBMG) van de Erasmus Universiteit, in opdracht van de farmaceutische afdeling van de Amerikaanse Kamer van Koophandel in Nederland, getiteld 'Goede zorginkoop vergt gezonde machtsverhoudingen'. De macht van huisartsen ten opzichte van zorgverzekeraars zou onderschat worden. Het waarom van dit onderzoek met deze opvallende opdrachtgever wordt uit de doeken gedaan in een uitgebreid commentaar van Wim Jongejan waarin beschreven wordt waartoe ‘ordinair lobbywerk’ kan leiden.

Deel dit artikel via          

In dit commentaar gaat huisarts in ruste en kenner wat zorg-ICT betreft Wim Jongejan in op de onderzoeksconclusie dat ‘op basis van een volledig theoretisch economische redenatie huisartsen een veel grotere marktmacht zouden hebben dan de zorgverzekeraars’.

Jongejan merkt in zijn commentaar op dat Skipr op 30 maart berichtte: ‘Huisartsen machtiger dan gedacht‘, en dat dit na kritiek al snel gevolgd werd door het artikel ‘Zorgverzekeraar is minder machtig dan gedacht‘. Een niet al te subtiele wijziging.

Wenkbrauwen fronsen

Hoe zit het eigenlijk echt met de macht van de zorgverzekeraar en de macht van de huisarts? Elke willekeurige huisarts in Nederland die deze koppen leest zal de wenkbrauwen fronsen of verbaasd lachen en na lezen van het artikel de schouders ophalen en over gaan tot de orde van de dag.

In het onderzoek [pdf] van het iBMG wordt uitgegaan van een puur theoretisch economisch denkmodel zonder enige relatie met de werkelijkheid. Zorg wordt als een vrij verhandelbaar product gezien, waar een goed geïnformeerde patiënt net als op de fruitmarkt welbewust zijn keuze maakt voor de beste kwaliteit met de laagste prijs.

Hoe volledig anders is de werkelijkheid, waarin zorg geen product is, maar uitgaat van een hulpverleningsrelatie

Hoe volledig anders is de werkelijkheid, waarin zorg geen product is, maar uitgaat van een hulpverleningsrelatie. Een relatie waarin kwaliteit van een professional en vertrouwen van een patiënt de hoofdrol spelen. De vertrouwensrelatie tussen patiënt en professional is – terecht – inderdaad veel groter dan die tussen cliënt en verzekeraar, maar een vertrouwensrelatie in de zorg te definiëren als macht geeft aan dat dit managementinstituut niet begrijpt dat zorg primair gebaseerd is op professionele en menselijke waarden in plaats van gefocust op euro’s.

Prijs-kwaliteitsverhouding

Maar laten we nog even doen alsof zorg een vrij verhandelbaar product is met een bepaalde prijs-kwaliteitsverhouding. De kwaliteit van dit product is voor de verzekeraar niet te bepalen. De kwaliteit van het product wordt vooral aangegeven door de patiënt, die over het algemeen zeer tevreden is. Een 8.2 en weinig wisselen van huisarts geven dat aan.

Macht afmeten aan de mate van vertrouwen van de patiënt in de huisarts, zoals iBMG ons wil doen geloven, is zelfs in een economisch model onbewezen, natte vinger werk.

Welke ‘macht’ zou iBMG trouwens voor ogen hebben?

Welke ‘macht’ zou iBMG trouwens voor ogen hebben? Macht over de tarief- of prijsstelling van het huisartsgeneeskundig zorgaanbod? Over de leveringsvoorwaarden? Over het te leveren zorgaanbod? Of over ‘prescriptiemacht’, ‘onderzoeksmacht’, ‘ verwijsmacht’ of andere professionele activiteiten van de huisarts?

Prijs van het zorgproduct

De prijs van het ‘zorgproduct’ wordt helemaal niet bepaald door de verkoper van het product, de huisarts, maar voor meer dan 75 procent door de overheid (NZa) binnen het macrobudget die maximumprijzen van de producten bindend oplegt. Mocht je meer willen rekenen, dan pleeg je onmiddellijk een economisch delict.

Dan is er nog 15 procent van het budget wat besteed wordt aan chronische zorg (zoals diabeteszorg) dat via een (regionale huisartsen) zorggroep wordt uitonderhandeld. Dat mag je als huisarts namelijk niet zelf doen stellen de regels van het ACM; dat moet je laten doen. Met als gevolg dat er een kostbare managementtussenlaag is ontstaan die voor meer dan honderd zorggroepen onderhandelt over 15 procent van het macrobudget.

Klein tegen groot

Over de resterende 10 procent mag de individuele zorgverlener onderhandelen met de zorgverzekeraar; een kleine praktijkonderneming c.q. praktijkhouder met ruim tweeduizend patiënten tegenover een zorgverzekeraar met vaak miljoenen verzekerden.

Er is weliswaar een bagatelregeling in de Mededingingswet opgenomen, waarbij je met een paar dokters tegelijk mag onderhandelen (circa 3-4 praktijken met een gezamenlijke omzet van 1,2 miljoen euro), maar niet als je naast elkaar in hetzelfde dorp woont; dan zou je “marktmacht” te groot worden. Naar aanleiding van de start van Het Roer Moet Om (HRMO) heeft VPHuisartsen minister Schippers van VWS dan ook verzocht om verruiming van de bagatelregeling.

Verder mag je ook als coöperatie met de zorgverzekeraars onderhandelen, maar coöperatieleden mogen niet met te veel praktijken (meer dan twintig procent) in hetzelfde postcodegebied zitten. En bij het onderhandelen gaat het eigenlijk alleen maar over kwaliteit, liever niet over prijzen. Je mag daarbij als coöperatie nooit het advies geven om bij een te lage prijs het contract maar niet te tekenen. Anders kan zomaar de ACM bij je op de stoep staan.

Simpel

Wat is toch die macht van huisartsen waarover de Rotterdamse economen fantaseren in hun droommodellen?

Eigenlijk is het heel simpel. Als de tarieven voor ruim 75 procent van je werk (basiszorgaanbod) door de staat bepaald worden, als 15 procent van je zorgaanbod (MDZ) door zelfstandige zorginstellingen wordt uitonderhandeld met verzekeraars zonder dat je daarin een gelijkwaardige stem hebt als risicodragende praktijkondernemer, en 10 procent is onderhandelbaar met zorgverzekeraars zonder dat die tot onderhandeling bereid laat staan verplicht zijn, wat is dan toch die macht van huisartsen waarover de Rotterdamse economen fantaseren in hun theoretische droommodellen?

De enige ruimte die een huisarts rest indien het opgelegde TROG-contract niet voldoet aan de wens voor een gezonde praktijkvoering, is het contract niet te ondertekenen. Dit levert een omzetverlies op van minimaal 20 procent. Met een al jaren dalend nettopraktijkresultaat geen lokkend perspectief.

De reserves van de Zorgverzekeraars stegen richting de 10 miljard, tweemaal het door De Nederlandsche Bank vereiste. Niet voor niets ondertekenden meer dan achtduizend huisartsen het manifest van Het Roer Moet Om voor meer gelijkwaardigheid in de onderhandelingen. De tegenbeweging HRMO ontstond niet vanuit de zorgverzekeraars met hun comfortabele machtspositie waarbij ze beschikken over de verplicht af te dragen gelden van burgers.

De onderzoekers van het iBGM hebben voor hun Amerikaanse financiers van de Amerikaanse Kamer van Koophandel een wel zeer onwetenschappelijke illusie over de macht van huisartsen in de zorg tevoorschijn getoverd.

Er is 1 reactie op dit artikel

  1. j.helder schreef:

    het financiele plaatje van de huisarts blijft zorgwekkend: begin 90er jaren vorige eeuw was het all-in tarief / vergoeding ziekenfonds iets van 120 gulden.
    Nu is het basis tarief iets van 50 euro, met daarop de vergoeding per contact van 9 euro en zo nodig 4.50 euro erbij voor autokosten. (visite rijden kost tenminste half uur per patient; consult kun je in dezelfde tijd drie keer doen). Verder is er de vergoeding POH maar die wordt onduidelijk omdat de DBC gebonden acties daar weer een deel van krijgen.
    t.o.v. de 90er jaren is er wel bijgekomen dat we een goede telefoonverbinding, een goede computer, een goede POH somatiek en GGZ , een goede kwaliteits / certificerings medewerker moeten hebben. Ook dient er een goed nascholings beleid geregeld te zijn. Helaas zijn de kosten (CAO, apparatuur, scholing) daarvoor “markt conform” geregeld en aangepast. Wat je niet kunt zeggen van het vrij constante huisartsen budget.

Spring naar werkbalk